
De oktobermaand heeft ons nogal bruusk de herfst in gekatapulteerd en misschien ben ik niet de enige met wat aanpassingsmoeilijkheden? Maar het gebrek aan zon, warmte en licht gaan we dan maar compenseren met extra gezelligheid thuis, kaarsjes (wie mij en ons huis kent weet dat dit er véél zijn!), af en toe met een dekentje, boek en hond(en) in de zetel… en mooie muziek uiteraard!
De afgelopen weken is Carl Heinrich Reinecke mijn metgezel geweest. Voor velen allicht een naam die niet zoveel zegt. Reinecke is geboren in 1824 in het Duitse Altona, dat toen nog tot Denemarken behoorde en overleed in Leipzig in 1910. Hij kreeg, samen met zijn zus, reeds op erg jonge leeftijd muziekles van zijn vader, J.P Rudolf Reinecke die muziekleraar en wetenschapper was. Zijn moeder overleed enkele jaren na de geboorte van Carl, en het was zijn vader die de opvoeding van de kinderen ter harte nam. Hij was intensief met hen bezig, deed alles wat van een goede vader wordt verwacht, maar als leraar was hij meedogenloos. Dit maakte van Carl wel een uitstekend pianist.
Het is dankzij een beurs van de Deense koning dat Carl Reinecke op 19-jarige leeftijd kon gaan studeren in Leipzig. Door zijn strenge opvoeding was hij opgegroeid tot een bijzonder bescheiden jongeman die zelf niet met zijn talent te koop liep. Niettemin werd hij opgemerkt door onder andere Franz Liszt, die zo onder de indruk was van Reineckes talent dat hij hem later in Parijs zou aanstellen als de pianoleraar van zijn dochter, Cosima[1].
Reinecke was 21 jaar toen hij voor het eerst op concertreis trok door Noord-Europa. In Leipzig trok hij de aandacht van Mendelssohn en van Clara en Robert Schumann. Ondanks de lovende woorden van onder meer deze grootmeesters, werd Reinecke nooit echt als een geniaal muzikant beschouwd maar veeleer als een zeer goed vakman met een degelijke vakkennis. Zo profileerde hij zichzelf ook. Een bescheidenheid die tot ver na zijn dood is blijven nazinderen. Intussen is de muziekgeschiedenis er wel achter gekomen dat Reinecke tot de keur behoort van de Duitse romantiek. Hij staat gekend als een bijzonder conservatief ingesteld musicus. Na als twintigjarige een hele tijd als hof-pianist te hebben gewerkt voor het Deense Hof, trok hij naar Parijs om er les te geven. Na Parijs kreeg hij een lesopdracht in Keulen om uiteindelijk in 1860 te worden aangesteld aan het conservatorium van Leipzig, waar hij in 1897 directeur werd. Zijn aanpak was misschien wel conservatief maar wel ontzettend degelijk en daar plukten zijn leerlingen de vruchten van, aldus zijn tijdgenoten.
Reinecke was niet alleen een begenadigd lesgever, hij behaalde ook mooie prestaties als orkestdirigent, meer bepaald van het toen reeds zeer befaamde Gewandhausorchester[2] van Leipzig.
In 1895 gaf hij de dirigeerstok door aan zijn opvolger en in 1902 gaf hij op 78-jarige leeftijd zijn allerlaatste les. Tot aan zijn dood in 1910 legde hij zich volledig toe op het componeren.
Zijn oeuvre
Als componist volgde Reinecke de romantische schrijfwijze van Felix Mendelssohn, Robert Schumann en deels ook van Johannes Brahms. Hij componeerde zowel symfonieën, concerto’s, opera’s als kamermuziek. Lange tijd werd hij vooral geassocieerd met die ene fluitsonate die hij schreef in 1883, Undine, tot op vandaag een vast repertoriumwerk voor fluitisten. Maar het oeuvre van Reinecke telt maar liefst 288 opuswerken[3] en nog eens dertig werken zonder opusnummer. Van zijn composities wordt gezegd dat er een warme en kleurrijke klank van uitgaat, met vloeiende en soms ook majestueuze melodielijnen. Een beschrijving die zeker ook opgaat voor de werken die ik van Carl Reinecke heb uitgekozen en intussen heb ingestudeerd.
Undine, sonate voor fluit en piano, opus 167 (1882)
Carl Reinecke was voor mij geen volledig onbekend componist, aangezien ik enkele jaren terug al twee delen van zijn Undine sonate mocht studeren in de lessen bij Sabine, zonder het werk echter ooit met piano te hebben kunnen spelen. De componist baseerde zich voor deze sonate op de roman Undine van Friedrich de la Motte Foucqué[4] uit 1811 waarin hij het tragische liefdesverhaal vertelt van een Ondine, een watergeest uit de Noorse mythologie. De muziek laat zich ook lezen en spelen als een prachtige vertelling waarin piano en fluit op een heerlijke manier in dialoog gaan. Ik vond het dan ook meer dan de moeite waard om de partituur van onder het stof te halen en mij er opnieuw aan te wagen. Ik zeg bewust “wagen”, want het is waarlijk geen sinecure, vooral dan het wondermooie pittige tweede deel! In de hoop dat het deze keer wel zal lukken om ergens een pianist bereid te vinden om dit samen met mij te spelen :-).
Hieronder vind je de Spotify link naar de drie delen van de Undine sonate met Jan Michiels aan de piano en Carlos Bruneel op de fluit.
https://open.spotify.com/track/6egqW0QOaFDMPYH0g5paE3?si=7865885bf1c74696
https://open.spotify.com/track/2EW5pT4v419DUn6RoVZ3fh
Voor de niet Spotify-luisteraars:
Een opname uit 2006 met Emmanuel Pahud op de fluit.
Ballade voor fluit en orkest, opus 288
De eigenlijke reden waarom ik voor Reinecke heb gekozen, is echter zijn allerlaatste en totaal onbekende opuswerk, de Ballade voor fluit en orkest. Het kwam geheel toevallig op mijn weg en ik voelde er meteen een connectie mee. Het werk bestaat uit slechts één deel, maar het is naar mijn gevoel “Ann in balladevorm”. Het werk begint met een op en top romantische melodie die zo mooi is in al haar eenvoud. Na die trage, meeslepende inleiding worden we plots meegenomen op een pittige roetsjbaan van rappe nootjes die de staccato en vingervlugheid van de fluitist even op de proef stellen en die worden afgewisseld met heerlijke zangerige stukjes die ik eigenlijk al even graag had willen kunnen zingen. Het virtuoze middendeeltje wordt opnieuw gevolgd door een reprise van de openingsmelodie waar de melancholie van afspat. De componist trekt alle registers open om de luisteraar in het hart te raken en bij mij is dat alvast o zo gelukt. Naar het einde toe, met name op minuut 7 (de ballade duurt bijna 9 minuten), is er één specifiek stukje van slechts enkele maten dat mij telkens weer ontroert. Op die plaats laat Reinecke de fluit in dialoog gaan met de viool, werkelijk bloedmooi. Zo jammer dat ik deze Ballade nooit met orkest zal spelen, dus de viool zal ik er telkens moeten bij denken…
Heel benieuwd of Carl Reinecke ook bij jullie een gevoelige snaar zal weten te raken.
Dank voor het lezen alweer, veel luisterplezier gewenst en heel graag tot een volgende keer!
Liefs,
Ann
[1] Cosima Liszt zou in 1870 huwen met Richard Wagner
[2] Het Gewandhausorchester is een symfonieorkest in Leipzig met 175 muzikanten. Het is hiermee het grootste beroepsorkest ter wereld. Chef-dirigent is sinds 2018 Andris Nelsons. Het orkest draagt de naam van het Gewandhaus, het gebouw van de Gilde van de Lakenhandelaren.
[3]Een opus is een creatief werk, meer in het bijzonder een muziekwerk. Sinds eind achttiende eeuw krijgt een compositie of een set werken bij publicatie vaak een opusnummer (afgekort als ‘op.’ met een nummer) mee, zodat idealiter een chronologische catalogus zou ontstaan.
[4] Friedrich de la Motte Foucqué (1777 – 1843) was een Duits schrijver uit de romantiek, met een uitgesproken belangstelling voor de Noorse mythologie en de ridderroman.
Geef een reactie op Tim Breckpot Reactie annuleren